load
load
load
load
load
load
load
load
Sugarcane will be shutting down on June 30, 2018. For more information, .

Spreken en begrijpen Spaans

Basic Dutch- Spanish vocabulary
a data set by Biram
created December 2, 2016
COPY & EDIT
FAMILY TREE
Create a game to test your knowledge!
See all 0 games!
See fewer games
EspañolNederlands
tenemoswe hebben
¿qué tal?hoe gaat het ermee?
vamoswe gaan
voyik ga
he estadoik ben geweest
paravoor
en casathuis
trabajoik werk
he trabajadoik heb gewerkt
ahoranu
estamos/somoswij zijn
tengoik heb
tienehij, zij, het heeft; u hebt
siemprealtijd
está/eshij, zij, het is; u bent
tambiénook
de vacacionesmet vakantie
desgraciadamentehelaas
a la derechaaan de rechterkant
a la izquierdaaan de linkerkant
algoiets
caro,-aduur
cercadichtbij
comereten
¿cuánto?hoeveel?
¿dónde?waar?
el desayunohet ontbijt
estupendo,-aschitterend
hayer is, er zijn
irgaan
la cuentade rekening
luegodaarna
muyheel
puedoik kan
podemoswe kunnen
quisiéramoswe zouden graag
primeroeerst
un cajeroeen bankautomaat
correoshet postkantoor
el estancode tabakswinkel
comprarkopen
los sellosde postzegels
despuésdaarna
quizasmisschien
quisieraik zou graag
tengo queik moet
hastatot
abierto,-aopen
más tardelater
los huevosde eieren
bastantegenoeg
ayergisteren
¿quién?wie?
un periódicoeen krant
el aguahet water
alguieniemand
arribaboven
el pescadode vis
detrás (de)achter(plaatsbepaling)
delante (de)voor(plaatsbepaling)
¿cómo?hoe?
está bienhet is goed
la salidade uitgang
me gustaik hou van
nadieniemand
nuestroons, onze
segurozeker
terminadogedaan
un resfriadoeen verkoudheid
un vasoeen glas
una cosaiets, een zaak
venirkomen
la estaciónhet station
¡venga!kom!
la paradade halte
allíginds
abajobeneden
el buzónde brievenbus
hacermaken, doen
¿por qué?waarom?
llenovol
el otro, la otrade ander(e)
la callede straat
el cochede auto
la gasolinade benzine
calientewarm
el tallerde garage
la lluviade regen
contento,-atevreden
el aeropuertode luchthaven
esperarwachten
decirzeggen
en Navidadmet Kerstmis
la nievede sneeuw
¡qué lata!wat vervelend!
¡hombre!Wel, wel!
¿le importaría?vindt u het erg?
veoik zie
nuncanooit
sials
¿qué pasa?Wat is er? Wat gebeurt er?
¡espere!wacht!
el pisode flat
ik weet
saberweten
la gentede mensen
llamarroepen, telefoneren
conocemoswe kennen
Vamos a Madrid.We gaan naar Madrid.
He estado en Marbella.Ik ben in Marbella geweest.
para mi empresavoor mijn bedrijf
Tengo una casa.Ik heb een huís.
Tenemos dos niños.We hebben twee kinderen.
Voy a casa.Ik ga naar huis.
Trabajo en Bruselas.Ik werk in Brussel.
He trabajado muchos años.Ik heb veel jaren gewerkt.
El trabajo es bueno.Het werk is goed.
¿Está de vacaciones?Is hij/zij, bent u met vakantie?
¿Tiene usted una habitación?Hebt u een kamer?
¿Dónde está la cafetería?Waar is het koffiehuis?
¿Cuánto cuesta?Hoeveel kost het?
¿Hay un banco aquí?Is er hier een bank?
Quisiéramos ir a Marbella.We zouden graag naar Marbella gaan.
a las diez y mediaom half elf
La cuenta, por favor.De rekening, alstublieft.
Tengo una tarjeta de crédito.Ik heb een creditcard.
No puedo ir.Ik kan niet gaan.
¿A qué hora podemos comer?Om hoe laat kunnen we eten?
Voy de compras.Ik ga boodschappen doen.
Tengo que ir de compras.Ik moet boodschappen gaan doen.
Hace mal tiempo.Het is slecht weer.
Lo siento.Het spijt me.
He comprado demasiado.Ik heb te veel gekocht.
No importa.Het geeft niet.
Quisiera comprar...Ik zou graag ... kopen.
He ido al supermercado.Ik ben naar de supermarkt geweest.
Tenemos que comprar...We moeten ... kopen.
¿Ha visto...?Hebt u ... gezien?
Alguien ha llamado.Iemand heeft gebeld.
No ha dicho para qué.Hij/zij, u heeft niet gezegd waarom.
Es una cosa importante.Het is iets belangrijks.
La semana que viene tenemos tiempoVolgende week hebben we tijd.
Eso es posible.Dat is mogelijk.
Me gusta mucho.Het bevalt me goed.
El ajo no me gusta.Ik hou niet van knoflook.
¿Le gusta el hotel?Bevalt het hotel u?
¿Podría ayudarme, por favor?Zou u mij kunnen helpen, alstublieft?
¿Cómo se dice en español?Hoe zegt men ... in het Spaans?
dos billetes de ida y vueltatwee retourtickets
Hable más despacio, por favor.Spreek langzamer, alstublieft.
¿Cuándo hay un tren?Wanneer is er een trein?
Voy a hacer algo.Ik ga iets doen/maken.
Estoy muy contento/a.Ik ben heel tevreden.
Esperamos que sí.We hopen van wel.
¿Dónde está la carretera?Waar is de weg?
¿Por qué lo compra? ¡Porque me gusta!Waarom koopt u het? Omdat het me bevalt.
Hablo sólo un poco español.Ik spreek alleen een beetje Spaans.
Si hay un coche lo tomamos.Ais er een auto is, nemen we hem.
¿Qué tal sus vacaciones?Hoe was uw vakantie?
¿Le importaría ayudarme?Vindt u het erg mij te helpen?
¿Le importaría darme...?Vindt u het erg mij ... te geven?
¿Qué pasa con... ?Wat gebeurt er met... ?
¡Vamos a tomar una copa!Laten we iets gaan drinken!
No he ido nunca a Barcelona.Ik ben nooit naar Barcelona geweest.
Tenemos que trabajar. ¡Qué lata!We moeten werken. Wat vervelend!
He esperado durante una semana.Ik heb een week gewacht.
¿Qué ha hecho?Wat heeft hij/zij, u gedaan?
Tienen un piso. Lo sé.Ze hebben een flat. Ik weet het.
Ready to learn about Spreken en begrijpen Spaans?