load
load
load
load
load
load
load
load
Sugarcane will be shutting down on June 30, 2018. For more information, .

Spreken en begrijpen Italiaans

Basic Dutch- Italian vocabulary
a data set by Biram
created December 2, 2016
COPY & EDIT
FAMILY TREE
ItalianoNederlands
abbiamowij hebben
siamowij zijn
purtroppohelaas
andiamowij gaan, laten we gaan
vadoik ga
sono stato/sono stataik was, ik ben geweest
il mio, la miamijn
dittabedrijf, kantoor
fau doet, hij/zij/het doet
che, che cosa, cosawat
ho lavoratoik werkte, ik heb gewerkt
adessonu
siamo stati/ewij waren, wij zijn geweest
comehoe
com'èhoe is?
ho bisogno (di)ik heb nodig
semprealtijd
senzazonder
la camerade kamer
forsemisschien
abbastanzagenoeg
un po'een beetje
maleslecht
quantohoeveel
va beneprima, oké
la prima colazioneontbijt
c'éer is
dirittorechtdoor
qualcosaiets
che cosawat
il contode rekening
troppote, te veel
poidan
quihier
sinistralinks
destrarechts
oggivandaag
dobbiamowij moeten
tuttoalles
dopona, nadien
fino atot(dat)
quandowanneer
più tardilater
pezzostuk
ierigisteren
vicinovlak bij
lo stessode/hetzelfde
questodit
francobollipostzegels
comprarekopen
credoik geloof
ho compratoik heb gekocht
chiwie
aperto/aopen
qualcunoiemand
perchèwaarom, ook: omdat
un appuntamentoeen afspraak
benissimo!voortreffelijk
l'uscitade uitgang
davanti avoor
staseravanavond
chedat, ook: wat?
dietro aachter
suop
nessunoniemand
megliobeter
certozeker
possoik kan
comezoals, als, ook: hoe?
una cosaeen ding, kwestie
conoscoik weet
un bicchiereeen glas
bigliettokaartje
aspettarewachten
prestosnel
fermatahalte
altro/aander
sparito/aweg, kwijt
semaforoverkeerslicht
caldo/awarm,heet
pioggioregen
benzinabenzine
dare/datogeven/gegeven
…mi piaceik houd van...
piùmeer
strada principalehoofdstraat
telefoninomobiele telefoon
vecchio/aoud
venirekomen
contento/atevreden, blij
Salve!Hallo!
cittàstad
aeroportovliegveld
a Natalemet Kerstmis
libroboek
appartamentoappartement, flat
le riparazionide reparaties
laggiùdaar
la nevede sneeuw
lo soik weet (het)
mainooit, ooit
vedoik zie
conosciamowij weten
fannozij doen
invece (che)in plaats (van)
meraviglioso/aprachtig
spessovaak
la navehet schip
Buon giorno, sono…Goedemorgen, ik ben...
Un momemto per favore.Een moment, alstublieft...
Andiamo a Firenze.Wij gaan naar Florence. (Laten wij...)
Venezia è molto bella.Venetië is erg mooi.
Lavoro ad Anversa.Ik werk in Antwerpen.
per la mia ditta.voor mijn bedrijf
Ho bisogno di molti soldi.Ik heb een heleboel geld nodig.
adesso siamo in vacanzaWe zijn nu op vakantie.
abbiamo una casaWij hebben een huis.
Sono stato/stata in ItaliaIk was in Italië/ben in Italië geweest.
Ha una camera?Hebt u een kamer?
Dov'è la camera?Waar is de kamer?
Quanto costa?Hoeveel kost het?
a che orahoe laat
Vorremmo andare a Roma.Wij willen graag naar Rome gaan.
alle otto e mezzaom half negen
È troppo caro.Het is te duur.
C'è un bar qui?Is er hier een bar?
qualcosa da mangiareiets te eten
il conto per favorede rekening, alstublieft
Mi dispiace.het spijt me
Dobbiamo andare.Wij moeten gaan.
Vorrei fare le spese.Ik wil boodschappen doen.
Devo passare dal bankomat.Ik moet naar de geldautomaat.
fino a quandotot wanneer
C'è un negozio?Is er een winkel?
non importa.Het doet er niet toe.
Ho comprato troppo.Ik heb te veel gekocht.
È molto simpatico.Hij is erg aardig.
vicino alla postabij het postkantoor
C'è qualcuno.Er is iemand.
Non ha detto.Hij zei niet.
la settimana prossimavolgende week
davanti alla portavoor de deur
dietro alla chiesaachter de kerk
Non abbiamo tempoWij hebben geen tijd.
Andiamo a mangiare.Wij gaan eten.
Vado con lui.Ik ga met hem.
Mi aiuti per favore.Help me, alstublieft.
Come si dice in italiano…?Hoe zeg je in het Italiaans...?
andata e ritornoretourtje
Mi dispiace, non capisco.Het spijt me, ik begrijp het niet.
Può parlare più lentamente?Kunt u wat langzamer spreken?
A che ora c'è un treno?Hoe laat is er een trein?
Sono molto contento/a.Ik ben erg blij.
Mi piace la Fiat.De Fiat bevalt mij.
Mi piace, perchè è nuovo.Het bevalt mij, want het is nieuw.
Mi piacciono tutti e due.Ik mag beide.
Il vino non mi piace.Ik houd niet van wijn.
Si può fumare qui?Mag men hier roken?
Nessuno lo so .Niemand weet het.
Non lo so.Ik weet het niet.
Che cosa c'è?Wat is het? / Wat is er?
Cosa ha detto?Wat zei hij?
Cosa fanno?Wat doen zij?
Come va?Hoe gaat het?
Non vedo…Ik zie niet...
Non c'è niente.Er is niets.
Non sono mai stato.Ik ben nooit geweest.
Andiamo da un amico.Wij gaan naar een vriend.
Ready to learn about Spreken en begrijpen Italiaans?